Albarracín

Zandstenen vleeseters in boulderparadijs Albarracín

Sinds de opening van Bruut Breda ben ik nóg een tikje verslaafder geraakt aan boulderen. Als je dan op steenworp afstand bent van boulderparadijs Albarracín kan een road trip natuurlijk niet uitblijven.

Middeleeuws mooi Albarracín

Een rit vanuit NL is zo’n 1700 km. Vanaf ons appartement in Cuenca rijden we nu in krap twee uur door de prachtige friás naar het Middeleeuwse stadje Albarracín. Ik raak de tel kwijt bij het aantal roofvogels dat we onderweg spotten. Onze uitvalsbasis voor het weekend is Casa el Rodeno aan de rand van Albarracín, dat zijn grillige vormen dankt aan de rivier Guadalaviar. De vuurrode zandstenen kasteelmuur torent hoog boven ons uit en vormt het sluitstuk van een pittige wandeling naar het hart van de stad, op zo’n 1200 meter boven de zeespiegel. De ‘architect’ van weleer heeft er een kluif aan gehad: geen straat is recht, geen huis waterpas.

Albarracín
De kasteelmuur torent uit boven Albarracín
Op de gok

We huren een crash pad bij de lokale klimwinkel Sofa Boulder en rijden enthousiast richting de bouldergebieden. Heel even overweeg ik een topo te kopen, maar de Hollander in mij vindt het ‘zonde’ om voor één weekend een compleet boekwerk aan te schaffen. Dus: op de gok het bos in, Spanjaarden met bouldermat achtervolgen en maar duimen een toffe boulder te vinden.

Albarracín crash pad
Mat op pootjes
Techos

De eerste dag lukt dit aardig en wandelen we van de centrale parkeerplaats in vijf minuten naar sector Entre Aguas. Direct is zichtbaar waar Albarracín berucht om is: grillige, knalrode blokken van zandsteen met gigantisch overhangende daken (‘techos‘). De boulders zijn niet hoog, gelukkig. In tegenstelling tot Fontainebleau lukt het na een geslaagde klim weer veilig en ‘waardig’ met de voetjes op de grond te landen. Regelmatig stond ik in de Franse bossen met tranen in mijn ogen op een blok van 5 meter om te roepen: “Laat me hier maar achter!” 

Pockets in Albarracín
Pockets op Bloc 1 (6a)
Schouder power

De blokken in Albarracín zijn genummerd en de meeste boulders hebben een naam. Tenminste, dat weet je als je de topo koopt. Wij zoeken achteraf de waardering van de boulders via de website van het gebied. De eerste die ik probeer is boulder 9 op Bloc 1. Een stevige instap met een foot hook, afblokken naar een aflopende greep om daarna nog een keer je voet te haken. Technisch geen hoogvlieger, maar mijn schouders zijn merkbaar niet meer aan dit soort maximale inspanning gewend na twee maanden lange routes klimmen…

Bloc 16 Albarracín
La abuela del Titanic (6a)

 

Vleeseter

Dag twee kammen we de bossen van Albarracín verder uit op zoek naar El Verano (8a). Niet om zelf te proberen, natuurlijk. Dit gigantische blok, beroemd om zijn gelijkenis met een varaan, wil ik met eigen ogen aanschouwen. “Kan niet missen“, zeg ik hoopvol terwijl ik bijna struikel over mijn crash pad. Twee uur verder: (heel) veel blokken gezien, maar geen grote vleeseter. Zelfs geen spoor van magnesium gevonden. De uitgestrektheid van dit magische gebied is overweldigend. Een vriendelijke Spanjaard ziet ons sukkelen en wijst de weg naar sector Tierra Media, die precies aan de andere kant van het gebied ligt. Het enige waar ik op dit moment aan denk: “Tapas met een wijntje“. Les geleerd. Thuis bestel ik meteen een topo. 😉

Facebooktwittergoogle_pluspinterestmailFacebooktwittergoogle_pluspinterestmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.